Tussen hier en daar
verhalen van de Emigratie Generatie
Migratie is al meer dan een eeuw onderdeel van de Utrechtse geschiedenis. Utrecht was als spoor- en handelsknooppunt een centrale plek, met veel reizigers en arbeiders die behoefte hadden aan goedkope maaltijden en logies. Rond 1911 vestigden de eerste Chinese migranten zich hier. Zij openden restaurants, eethuizen en logementen, vooral in de binnenstad en Wijk C. In de jaren dertig en veertig volgden Italianen. De stad groeide snel en er was veel werk in de bouw en de horeca.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden nieuwe migratiestromen. Mensen uit voormalig Nederlands-Indië vestigden zich in Utrecht na de onafhankelijkheid van Indonesië. In 1951 kwamen daarnaast Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen naar de stad, die aanvankelijk in woonoorden zoals het Lunettenkamp verbleven. Vanaf de jaren zestig arriveerden gastarbeiders, geworven via overheidsakkoorden met landen als Spanje, Joegoslavië, Turkije en Marokko. In Utrecht werkten velen bij Werkspoor in Zuilen, in de metaalindustrie bij DEMKA of in de bouw.
Rond de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 vonden ook veel Surinamers en Antillianen in Utrecht een nieuw thuis in Zuilen of Lombok of in de nieuwe wijken Overvecht en Kanaleneiland. Zo kreeg Utrecht in de loop van de twintigste eeuw een steeds veelzijdiger gezicht. Al deze mensen brachten hun eigen cultuur en tradities mee en verrijkten daarmee het stedelijke leven.
Stichting De Emigratie Generatie vertelt de verhalen van oudere migranten, het Volksbuurtmuseum die van bewoners die geworteld zijn in Wijk C. Het zijn verhalen met verschillende achtergronden, maar ook met veel herkenning. Familie, liefde, werk en eenzaamheid zijn thema’s die ons allemaal raken. Samen willen we mensen die niet zo vaak gehoord worden een podium bieden en een stem geven. We hopen dat wanneer we elkaar beter leren kennen, we elkaar ook beter begrijpen.
In deze tentoonstelling laten wij zes mensen aan het woord die naar Utrecht zijn gekomen. Waarom zijn zij de reis aan gegaan? En hoe hebben zij het ervaren om een nieuw bestaan op te bouwen in Nederland? Ontdek hun verhalen, ervaar de verschillen en herken wat ons met elkaar verbindt.
Ilse Cohen
Ik ben Ilse Cohen en ik ben 79 jaar oud. Ik ben geboren in Bogor, Nederlands-Indië, dat vroeger Buitenzorg heette. In 1950 ben ik samen met mijn ouders, broertjes en zusjes naar Nederland gekomen. Mijn familie behoorde tot de upper class in Nederlands-Indië: we woonden in een groot huis, met een hoge poort, grote open ruimtes en een galerij waar slaapkamers lagen voor de bedienden. We hadden tien mensen in dienst: een kok, een wasvrouw, een naaister enzovoort. Elk kind had een baboe [bediende]. Ik heb gehoord dat mijn moeder bijzonder goed voor hen was en aan het begin van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd hebben zij ons gered. De inlanders kwamen ons zoeken, we moesten opzouten. Toen hebben de bedienden een grote vlag voor het huis gehangen waarop stond: dit is geen Nederlands huis, ga hier weg. Zo hebben ze mijn moeder en gezin gered.
In 1950 zijn we met een Engels schip, de Cheshire, gerepatrieerd naar Nederland. Als Nederlands-Indischen werden we als een van de eersten op de boot gezet. Mijn broer herinnerde zich dat er leuke spelletjes waren, maar dat het eten smerig was. Het afscheid in Indonesië was verschrikkelijk, ik kan het me nog herinneren. Als kleine kleuter van vijf of zes jaar stond ik naast mijn moeder; alle bedienden huilden en trokken aan haar.
Met de boot kwamen we aan in Rotterdam, vanaf daar werden we met een bus naar Brabant gebracht. Achteraf hoorde ik dat onze familie behoorlijk netjes is ontvangen in Nederland, in tegenstelling tot repatrianten die in voormalig kamp Westerbork terechtkwamen. In Middelbeers kwamen we in een groot raadhuis terecht, klein naar onze begrippen. Toen de eerste vrouwelijke burgemeester Truus Smulders werd benoemd, moesten we verhuizen. Daarna kwamen we in een boerderij terecht. Er was geen centrale verwarming en we moesten ons wassen in een teil. Ook sliepen we onder hele dikke dekens omdat het zo koud was, de ijsbloemen stonden op het raam. Mijn ouders hebben het altijd verschrikkelijk gevonden.
We zijn naar Utrecht verhuisd omdat mijn vader bij de NS kon gaan werken. In Indonesië was hij technisch tekenaar bij de spoorwegen. Later kwamen we in Zuilen terecht, daar mocht ik van mijn moeder alleen buiten spelen met blanke kinderen. Doordat ik met ze speelde mocht ik ook bij ze binnen komen, maar er werd wel op tijd gezegd: wij gaan nu eten. Dan moest je weg, dat vond ik zo raar. Dat was absoluut niet bij Indische mensen. Mijn moeder gaf iedereen te eten, dat was heel normaal. Je werd nooit weggestuurd.
Op mijn twintigste ben ik leerkracht geworden en heb ik lesgegeven in Utrecht. Ook had ik de wens om stewardess te worden. Ik heb vijf jaar voor de KLM gevlogen en dat vond ik heerlijk. Ik vloog de hele wereld over. Later ben ik voor de liefde naar de Antillen verhuisd, waar ik 23 jaar heb gewoond. Toen mijn dochter op haar zeventiende naar Nederland vertrok om te studeren, ben ik haar achterna gegaan. Sindsdien woon ik weer zo’n 23 jaar in Nederland!
Carlo Derby
Mijn naam is Carlo Derby, ik ben 81 jaar oud en ik kom uit Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. Ik wilde op mijn zestiende naar Nederland vertrekken, maar dat kon niet omdat mijn vader ziek was. Hij moest naar Nederland om te herstellen, waarna hij eind 1961 weer terugkeerde naar Suriname. Toen dacht ik: ‘Oké, nu kan ik gaan.’ De laatste jaren begin ik mij steeds meer te realiseren wat voor een jochie ik was toen ik naar Nederland vertrok.
In Nederland mocht ik bij mijn familie in Amsterdam wonen. Op de eerste ochtend vroeg ik waar ik me even kon opfrissen. ‘In de keuken’ werd mij gezegd. Toen dacht ik: ‘Waar ben ik nu terechtgekomen? Dat doe je niet in de keuken, tenminste bij ons in Suriname niet.’ Wij hadden een keurig toilet en een aparte doucheruimte. Mijn vader had mij al gewaarschuwd: ‘Het ergste komt nog, wacht maar.’ Ik zei tegen mijn oom: ‘Oke, ja, ik wil lekker in een bad.’ ‘Ja, dat hebben we niet’ antwoordde hij. ‘Je kunt een teiltje pakken in de keuken, of je moet naar het badhuis.’ Ik wist niet wat ik hoorde. Toen ik bij het badhuis aankwam kreeg ik 20 min om mij uit te kleden, onder de douche te stappen, in te zepen en af te spoelen. Als je niet snel genoeg was, werd het water afgesloten. Ik dacht: ‘Wat is dit voor een armoedige zooi?’
In 1967 ging ik voor het eerst terug naar Suriname, na vijf jaar in Nederland te hebben gewoond. Bij het reisbureau Holland International had ik mijn vakantie geboekt. Toen ik mijn vliegticket ging ophalen, werd deze overhandigd door een juffrouw die mij een goede reis wenste. Begin jaren zeventig kwam ik haar weer tegen op het Vredenburg in Utrecht. Ze was een jaar in Parijs geweest en was terug in Utrecht vanwege het overlijden van haar vader. Ik heb haar later nog met haar moeder bij vrienden ontmoet en heb hen naar haar thuis gebracht. Marianne werd toen algauw mijn vriendin en we zijn bij elkaar gebleven. Volgend jaar zijn we vijftig jaar getrouwd. Het leuke aan Marianne vind ik dat ze prima zonder mij kan, zolang ze maar weet dat ik in de buurt ben.
Mijn gevoel voor Suriname wordt steeds sterker. Het gevoel van thuis, al besef ik dat het niet meer is zoals het was. Iedereen zegt dat ik het moet loslaten, maar het gemis van mijn ouders was erg. Bij beiden was ik net te laat om afscheid te nemen, terwijl ik de reis al had geboekt. Dat doet heel veel pijn. Dat komt omdat ik veel te jong was toen ik wegging. Ik was te beschermd opgevoed. Mijn ouders waren alles voor ons, ze gaven ons het beste wat ze ons konden geven. Ik kan het mezelf niet vergeven dat ik zo jong weggegaan ben, dat houdt me de laatste jaren heel erg bezig. Ik wil graag terug naar Suriname om naar het graf van mijn ouders te gaan, het ouderlijk huis aan de Eldoradolaan en naar de plaats waar ik vanaf mijn zevende ben opgegroeid. Ik wil daar afscheid van nemen.
Vincent Fernandez
‘El baile de San Vito!’
Ik ben Vincent Fernandez Campo en ik ben geboren op 8 april 1947. Ik ben in Nederland aangekomen toen ik 17 jaar was, in februari 1965. Als migrant, zo noemden ze gastarbeiders zonder contract. Ik kwam gewoon op goed geluk, ik moest een woning en werk zoeken.
Ik ben opgegroeid op een boerderij in een klein dorp in Picos de Europa, dat is een gebergte in Asturië. Ik ben geboren in Sotres, dat ligt op 1100 meter hoogte. Elke dag ging ik met de schapen de bergen in. Ik zie de kudde nog voor me en zou nu nog de schapen kunnen herkennen.
Mijn moeder was al vijftig toen ik geboren werd. Ze zag eruit als een omaatje, maar ik was helemaal gek op haar. Mijn moeder zei: ‘Vicente! Vicente! [Tienes] El baile de San Vito!’ [Vincent, heb jij de dans van Sint Vitus?] Ik zei: ‘Moeder, ik kan niet eens goed dansen.’ Ze bedoelde dat ik nooit stil kon zitten!
Ik ben met een taxi van Spanje naar Nederland gekomen. We hebben er drie dagen over gedaan, dat was een flink eind. Tegen de avond kwamen we aan in Luxemburg, ik zag voor het eerst in mijn leven straatverlichting. Dat was een belevenis. Alles was geel! Ik denk dat ik een beetje in shock was van de reis of de vermoeidheid. Het licht was zo raar. In Amsterdam was geen plek voor mij, toen ben ik in Utrecht terechtgekomen.
Mijn ouders hadden een pak voor me laten maken bij de kleermaker, om een goede baan te vinden moest je er wel netjes uitzien. In Utrecht kwam ik te werken bij Werkspoor, waar ik treinen en dijken maakte voor het Deltaplan. Met de hand moesten wij gloeiende klinknagels opvangen. Wat mijn vader niet in de gaten had was dat het nette pak niet geschikt was voor het werk dat ik deed. Ook niet voor op straat. Ik voelde me ongemakkelijk in het pak en heb het uiteindelijk aan iemand weggegeven.
Met Catherine ben ik sinds 1972 getrouwd. We hebben geen kinderen dus wij zijn samen alleen. Daardoor voel ik een bruis van liefde die ik niet kwijt kan. Ik probeer van iedereen te houden en van alles om me heen te geven. Ik wil geven, geven wat er in mij zit.
Als ik door de dood alleen kom te zitten wil ik niet in Nederland blijven. Ik wil nog ergens slapen waar ik de sterren kan zien, waar geen lichtvervuiling is en geen wegen zijn. Ik weet dat die plek er is. Doodgaan wil ik niet in Spanje, ik wil naar Spanje om te leven. Ik ben niet eenzaam, niet bang om alleen te zijn, ik hou veel van mensen. Ook Nederland zal ik niet vergeten want ik zou vaak terugkomen. Dat is mijn droom.
Ahmed Benlahbib
Ik heet Ahmed Benlahbib en ik kom uit Marokko. Ik ben geboren in Meknès, op zaterdag 5 mei 1945, namelijk op de Bevrijdingsdag van Nederland. Tijdens mijn jeugd in Marokko werkte mijn moeder na haar scheiding, bij verschillende gezinnen als huishoudster. Ze moest wassen, strijken en koken bij feestjes en trouwerijen. Als kind zat ik altijd naast haar, maar dat vond ik eigenlijk heel ellendig. Ik vond het vreselijk dat mijn moeder zo hard moest werken. Voor de feesten maakte ze meestal grote gerechten, zoals couscous of tajine.
Na mijn middelbare school werd ik in 1965 aangenomen als medewerker bij de Marokkaanse spoorwegen, de ONCF. Doordat ik daar werkte, kreeg ik een gratis treinreis door Europa aangeboden, waar ik op mijn vijfentwintigste gebruik van heb gemaakt. In Parijs kwam een ouder echtpaar naar mij toe met de vraag of hun dochter bij mij in de coupé mocht zitten. Dat vond ik goed, en tijdens de reis ontstond een klik. Ik sprak toen nog geen Nederlands, dus ons gesprek verliep in het Frans. In plaats van naar België te reizen, die ik oorspronkelijk van plan was, ben ik met haar mee naar Utrecht gegaan. Wij deelden een enorme liefde, ook voor muziek en dans. Wij kregen samen een dochter.
In Nederland werkte ik eerst op een fabriek en daarna ging ik studeren. Omdat ik mijn collegegeld zelf moest betalen, begon ik aan een opleiding tot rijschoolhouder/instructeur. Zo betaalde ik mijn studie. Daarna werd ik benoemd als student-assistent/leraar aan deze universiteit en daarbij tolk-vertaler/leraar aan de Internationale Schakelklassen te Utrecht. Daarnaast werkte ik ook als freelance tolk en vertaler in de Marokkaanse en Arabische talen bij de justitie, politie, ziekenhuizen en andere instanties. Ook ben ik een van de oprichters van de studenten sociëteit of dancing Woolloomooloo.
Toen mijn moeder ziek werd, ging ik naar Marokko om voor haar te zorgen. Toen ik daar was, is mijn moeder overleden. Zij betekende alles voor mij, na haar overlijden was ik erg overstuur. Ik ben bijna een jaar door Marokko gaan zwerven. Op een gegeven moment heb ik een Marokkaanse vrouw ontmoet met wie ik trouwde en drie dochters kreeg. Mijn dochters hebben allemaal de Nederlandse nationaliteit, maar twee wonen in Marokko. De derde voelt zich thuis in Frankrijk. Ze zijn allemaal harde werkers met een mooie toekomst, en daar ben ik als vader trots op. Ik voel me helemaal thuis in Utrecht. Waar ik ook ben, ik wil altijd terug naar Utrecht.
Patricia Bordon
Mijn naam is Patricia Bordon Gijon. Ik ben in Mexico-Stad geboren, de hoofdstad van Mexico. Ik woon al bijna 27 jaar in Nederland, altijd in Utrecht, waar ik met veel plezier woon. Mijn jeugd in Mexico was mooi en prettig. Ik was veel buiten met vriendinnen en met familie werd er veel gelachen. Wat ik moeilijk vond was dat mijn oma een soort makelaar was, die voor zichzelf huizen kocht en opknapte. Daarna werden ze met winst verkocht. Dit betekende voor ons dat we niet langer dan twee of drie jaar in hetzelfde huis woonden en op dezelfde school zaten. Omdat ik me snel moest aanpassen aan nieuwe huizen en mijn leven constant opnieuw moest beginnen, ben ik heel veerkrachtig geworden.
Toen ik 15 werd, zou ik gepresenteerd worden aan de society met een mooi groot feest. Dat is onderdeel van mijn cultuur. Ik was in die tijd een beetje verlegen, dus ik wilde niet dat er een spotlight op mij kwam te staan. Toen zei mijn vader: ‘Oké, in plaats van geld uit te geven aan een feest, gaan we naar Spanje.’ Dus als cadeau voor mijn vijftiende verjaardag kreeg ik een rijke verliefdheid op Europa.
Later heb ik in Mexico communicatiewetenschappen gestudeerd met een specialisatie in radioprogramma’s. Ik werd presentatrice en directrice van een klein radiostation. Tijdens een bezoek aan Mexico-Stad ontmoette ik de vader van mijn dochter; het was liefde op het eerste gezicht. Een goede vriend van mijn man was journalist bij de Wereldomroep. Hij had één van mijn programma’s gehoord en vond mijn stem heel mooi. Hij had voor mij geregeld dat ik bij hem kon komen werken. Ik wilde al emigreren, dus de keus was snel gemaakt. Ik kwam naar Nederland met een baan. Ik belandde in Utrecht, wat ik geweldig vond, want er was veel te beleven en ontdekken.
Ik heb een geweldig leven opgebouwd in Utrecht, waar ik dankbaar voor ben. Veel dromen zijn hier uitgekomen. Maar ik heb nog meer dromen. In de toekomst wil ik nog graag iets betekenen voor kinderen die uit oorlogsgebieden komen zonder ouders, en voor jongeren die geen andere mensen hebben. Ik wil iets bijdragen aan de nieuwe generaties en dan… is het denk ik tijd om afscheid te nemen van de wereld. Dan ga ik naar mijn vader toe. Zo noem ik God. Ik ga naar Hem toe, dus mijn toekomst is mooi.
Ersin Bölükbaş
Mijn naam is Ersin Bölükbaş, ik ben in 1961 geboren in Turkije. Op mijn tiende, in 1971, verhuisde ik samen met mijn moeder en broertje naar Nederland, waar mijn vader al drie jaar werkte. Hij was naar Nederland gekomen om te sparen voor een tractor, zodat hij in Turkije zijn eigen land kon bewerken. Maar de plannen veranderden en we bleven in Nederland. Ik herinner me de reis met de Oriënt Express als een geweldige ervaring. Als kind was alles spannend en nieuw.
Toen we in Utrecht aankwamen, was de overgang groot. Ik was gewend aan de natuur en het groen in Turkije, en hier zag ik alleen maar grauwheid en stenen huizen. We woonden in de buurt van de Amsterdamsestraatweg. Mijn vader was politiek erg actief; hij zat in de eerste migrantenraad van Utrecht. Hij was een bron van inspiratie voor mij. Door hem raakte ik ook betrokken bij de politiek en werd ik actief bij de PvdA.
Ik heb in Nederland veel kansen gekregen. Ik heb gestudeerd en een mooie carrière opgebouwd. Ik zie mezelf als een wereldburger. Ik ben Nederlands, maar met net een tikkeltje andere identiteit. Mijn Turkse achtergrond draag ik altijd bij me, maar Utrecht is mijn thuis. Hier heb ik mijn leven opgebouwd, mijn vrienden en mijn werk.
Ik vind het belangrijk dat de verhalen van de eerste generatie migranten verteld worden. Zij hebben de basis gelegd voor de multiculturele samenleving die we nu zijn. Hun doorzettingsvermogen en offers mogen niet vergeten worden. We moeten blijven praten met elkaar, naar elkaar luisteren en elkaars achtergrond begrijpen. Dat is de enige manier om samen een mooie toekomst op te bouwen.
.
